Fietsen in Namibia
Een fietsverhaal gebaseerd op een tocht zoals wij die in 1996 gemaakt hebben. Deze tekst is eerder verschenen in het personeelsblad Interkom van de gemeente Deventer. Mocht je na het lezen van dit verhaal de smaak te pakken hebben gekregen dan is er ook nog een pagina met praktische info over routes, slapen, eten etc. Heb je nog vragen, stuur ons dan gerust een emailtje. Een uitgebreide versie van dit verhaal verscheen maart 1998 in het tijdschrift Fiets.
Op een dode zebra door Afrika
Op 6 september duwen we onze zwaarbeladen fietsen uit de aankomsthal van vliegveld Windhoek de brandende zon in. In Nambië zijn de afstanden groot, dus die 45 km van het vliegveld naar de stad zijn natuurlijk maar een peuleschil. Bovendien is het die dag maar 30 graden in de schaduw en dus een aangenaam koel voor de tijd van het jaar! In Windhoek rijden we meteen door naar het station. De fietsen gaan als vracht in een verzegelde container en wij laten ons uitgeblust na 10 uur vliegen en 3 uur fietsen in onze bussiness-class treinzetels zakken, om nòg een nacht zittend door te brengen.
Keetmanshoop en verder
Het is steenkoud en de zon kleurt nog maar net de horizon voorzichtig oranje als we om een uur of 6 Keetmanshoop binnenrijden. De fietsen losgeweekt bij de ‘goods-office’ en daarna eerst de stad in voor de broodnodige proviand. De komende week verwachten we geen winkel tegen te komen en dus proppen we o.m. een kilo spaghetti, een pond rijst, 3 broden, 4 blikjes groente en nog een baal klein spul, onze toch al volle fietstassen.
De eerste kilometers na Keetmanshoop gaan nog over een brede asfaltweg maar al snel komt onze afslag in zicht. Vanaf daar draaien we het lege zuid-westen van dit toch al dunbevolkte land in. Zouden we er kunnen fietsen? Gelukkig kan het, en hoe!
Zand en bier
De dagen vliegen voorbij. De uitzichten zijn groots en wijds. De landschappen woest en ledig. De dorpjes klein en schaars. De wegen vlak en recht. Het MET (Ministry of Environment & Tourism) heeft bij alle bezienswaardige plekken kampeerterreintjes aangelegd waar het goed toeven is. Een warme douche hoeven we niet te vaak te missen en soms kan een dag fietsen in de hete zon zelfs worden afgesloten met een ijskoud flesje Windhoek Lager. Het bier is er overigens van uitstekende kwaliteit: als gevolg van de duitse koloniale geschiedenis wordt volgens Duitse traditie gebrouwen.
Dat Namibië begin deze eeuw een stukje Duitsland was, is ook op andere plekken nog goed te merken. In een piepklein dorpje (bestaande uit 1 hotel + 1 winkel + 1 benzinepomp) eten we de grootste Wiener Schnitzel aller tijden en worden we hardnekkig in het duits aangesproken. Maar meestal koken we ons eigen potje en leunen we na zo’n standaard maaltijd (spaghetti of rijst met ‘iets’ uit de voorraad) voldaan achterover en genieten van de spectaculaire zonsondergangen en de ongekend heldere sterrenhemel.
Peilloze afgronden, onverwachte kastelen
Iedere dag is er wel weer wat bijzonders te zien. We kamperen twee dagen aan de rand van de Fish River Canyon, de Grand Canyon van Afrika; we bezoeken Schloss Duwisib (een door een duitse koloniale exentriekeling midden in de woestijn gebouwd ‘kasteel’ met heuse kantelen en een met zwaarden en grote familieportretten behangen hal); we beklimmen de meer dan 200 meter hoge zandduinen van Sossusvlei (de oudste en hoogste ter wereld), maar genieten vooral van het lege en woeste landschap en het wild dat regelmatig ons spoor kruist. Springbokken en antilopen in alle maten en soorten rennen vaak voor ons uit, geschrokken van die twee onverwachte fietsers.
Veel wind en nog meer zand.
Een enkele keer is een volgend dorp of kampeerterreintje niet in een dag te bereiken. Dan rijden we net zo lang door tot we aan het einde van de dag een geschikt plekje ergens langs de weg vinden. Van voorbijgangers hebben we nooit last want het verkeer is niet bepaald intensief. Op de drukste wegen zien we zo eens per half uur in de verte een medeweggebruiker opdoemen. Al heel in de verte, want bij een snelheid van ruim 120 km p/u op een gravelweg doet een auto nogal wat stof opwaaien. Maar niet alleen auto’s doen stof opwaaien.
Twee keer maken tot stormkracht aanzwellende westenwinden ons het verder fietsen onmogelijk. Op ons allerkleinste verzet (28 X 28 voor de kenners) komen we nog maar nauwelijks vooruit. Keer op keer zijn we al van de weg geblazen voor we het echt opgaven. Met de regenjacks tot op de capuchons dichtgeritst als bescherming tegen het zand dat ons letterlijk zandstraalt, schuiven we onze fietsen in de berm. Dan maar liften!
De lucht kleurt al geel van de opzwiepende stofwolken als een lege ‘sheep-truck’ stopt. De fietsen tussen de schapenkeutels geschoven en rijden maar. In de 3e van z’n 5 versnellingen komt de vrachtwagen nog maar matig vooruit. Later hoorden we dat de windsnelheid die dagen tot boven de 100 km per uur is opgelopen; de stormachtige westen- of oostenwinden (de een in de winter de andere in de zomer) zijn in dit land niet voor niets berucht.
Door het zand naar het strand
De laatste ruim 200 km van onze tocht voeren dwars door de Namibische woestijn naar de kust, naar de Atlantische Oceaan. Ergens onderweg zullen we een keer wild kamperen in een droge rivierbedding. Mr. Moose, de eigenaar van het benzinestation waar we de laatste nacht in de ‘bewoonde wereld’ kamperen zal auto’s die onze kant op gaan water voor ons mee geven. Deze mr. Moose is trouwens een echte fietsengek: van iedere fietser die bij zijn benzinepomp annex winkel, annex cafe stopt maakt hij een foto, voor de lokale Wall of Fame.
De eerste km’s gaan nog redelijk maar daarna wordt het snel minder. Toch moeten we in twee dagen Walvisbaai, de Namibische zeehaven aan de Atlantische Oceaan zien te bereiken omdat anders andere afspraken in het honderd lopen. Keer op keer lopen de fietsen vast in het mulle gravel. Tegen lunchtijd ligt de laatste boom vele kilometers achter ons en lijkt het wel warmer dan ooit tevoren.
In de zelfgemaakte schaduw van een tussen twee fietsen gespannen zeiltje ‘groot overleg’ gehouden. Liften dus, en weer hebben we geluk. Al snel stopt een Toyota Landcruiser van de National Parks Service. Of ze ons kunnen helpen? Nou, ja dus. En we hebben dubbel geluk; ze gaan uitgerekend naar één van de twee kampeerterreintjes in de Namib Desert waar drinkwater is en van waaruit we de kust in één lange dag fietsen kunnen bereiken! We moeten dan wel achter in de bak zitten en oh, ja er ligt ook nog een zebra in dus we zitten zacht!
Rechtdoor of linksaf; kruising in the Namib Desert
De volgende dag rijden we bij het laatste zonlicht, kleumend in de ijskoude wind die vanuit de Antarctisch koude Atlantische Oceaan waait, de laatste kilometers naar Swakopmund. De laatste loodjes van in totaal 1300 fantastische fietskilometers zitten erop… Alles bij elkaar een prima fietsland. Wij kunnen Namibia dus van harte aanbevelen.
