Fietsen in Ecuador, een reisverslag

Een fietsreisbeschrijving gebaseerd op een tocht zoals wij die in 1993 gemaakt hebben. Deze tekst is eerder verschenen in het blad Fiets. Mocht je na het lezen van dit verhaal de smaak te pakken hebben gekregen dan is er ook nog een pagina met praktische info over routes, slapen, eten etc.

Reisverslag

Aankomst

In het ochtendgloren zien we uit het vliegtuigraampje eerst de toppen van sneeuwbedekte vulkanen boven het wolkendek uitsteken. Als we dalen verschijnen diepdoorsneden ruige dalen in ons blikveld. Kunnen we daar eigenlijk wel fietsen? Het kan. En hoe!

Kennismaking met Quit

Binnen een uur na de landing in Quito storten we ons in het ochtendspitsuur. Op het hobbelige, met glas bezaaide asfalt zigzaggen we tussen hordes bussen van het koekblikmodel door die bij iedere lantaarnpaal stoppen en een walm van haast snijdbare uitlaatgassen uitbraken. Op deze hoogte, meer dan 2800 meter, begint ons hart al te racen als we de fietsen even later in het hotel een paar treetjes op naar onze kamer dragen. Om te acclimatiseren gaan we daarom eerst een dag de oude stad bekijken. De gebouwen zijn er wit bepleisterd, het interieur van de kerken is al even grondig van bladgoud voorzien. De smalle straatjes en ruime pleinen ademen een eeuwenoude koloniale sfeer uit, zolang je tenminste buiten gezichts- en gehoorafstand van het stadsverkeer blijft. Dit gedeelte van de stad heeft niet voor niets de status van ‘UNESCO World Heritage Site’ verworven. Lopend van museum, naar kerk, naar plaza leggen we ongemerkt zo’n 15 kilometer af, en als dat lukt kunnen we ook wel fietsen. En dus maken we een geslaagde proeftocht zonder bagage naar Mitad del Mundo, het uit een wanstaltig grote toren bestaande toeristische monument op de equator. We zweten fonteintjes, en dat zal de komende vier weken een belangrijke dagelijkse bezigheid blijven. Als het niet gewoon van de warmte is dan is het wel van de steile hellingen, of later in de jungle van de hoge luchtvochtigheidsgraad. Op de terugweg komen we in een optocht ter gelegenheid van het 420-jarig bestaan van het dorp Pomasqui terecht. Alle dorpen uit de omgeving hebben vertegenwoordigers in klederdracht gestuurd, voorzien van grote felicitatiespandoeken.

Uiteraard is ook de Kerk ruim vertegenwoordigd. Het is een echt dorpsfeest, wij zijn met nog twee gringo’s de enige verdwaalde toeristen tussen de honderden indianen. Het aantal toeristen valt ons trouwens toch erg mee. Alhoewel juli/augustus het hoogseizoen is, is het zelfs in toeristische hotspots als Otavalo bijzonder rustig. Ons eerste doel als we Quito verlaten is Otavalo, de thuishaven van de gitaar- en panfluitspelende indianen die je in Nederland ‘s zomers overal tegenkomt. Meteen buiten de stad krijgen we het bij een 20 kilometer lange zeer steile afdaling bepaald benauwd, want als het zo naar beneden gaat zouden we wel eens op dezelfde manier naar boven moeten. En dat zonder een spatje schaduw in het droge, dorre landschap. Het valt mee, maar hitte en helling vreten wel zoveel energie dat we de laatste kilometers met puddingbenen over de weg slakken. De volgende dag wanen we ons fietsend tussen de melkkoeien en langs een sneeuwbedekte vulkaan eerder in Zwitserland dan in Ecuador.

Dat gevoel verdwijnt snel als we in Otavalo op de Plaza uit zitten te blazen, genietend van het lokale verkeer. We vermaken ons met het zoeken van de kleine verschillen in de kleding van de indianen, waaraan je kunt zien uit welk dorp de drager afkomstig is. Gelukkig verveelt het niet, want ondanks voorzorgsmaatregelen zijn we van de diverse afdalingen zo ernstig verkouden geworden dat we een rustdag moeten houden. Natuurlijk kunnen ook wij de verleiding van de spotgoedkope gebreide en geweven truien op de beroemde lokale markt niet weerstaan.

Ons hotel in Otavalo, zeer origineel Hotel Otavalo geheten, getuigt van prachtige, maar vergane glorie. De kamers rond de binnenplaats zijn wel vijf meter hoog en zo koel dat we onze nieuwe truien aantrekken als we er langer dan vijf minuten blijven. Van Otavalo rijden we met een boog in twee dagen rond Quito.

Fietsen op de hellingen van de Cotopaxi Full Size Image

Opnieuw steken we de evenaar over, nu zonder de toeristische heisa van Mitad del Mundo. Het monument bestaat hier slechts uit een simpele betonnen globe en een boom die zich volgens het opschrift voedt met de vrede van beide halfronden. Een witte streep verf maakt de equator er letterlijk tastbaar. De Pana (Equadoriaans voor Panamerican Highway) is hier heel breed en buitengewoon rustig. Verderop, rond Machachi is het net andersom: de weg is erg smal, juist als al het verkeer uit Quito zich erbij heeft geperst. Die paar kilometer zouden de enige zijn in heel Ecuador waar we ons niet veilig voelden in het verkeer.

Zwoegend tegen de vulkaan

In Lasso twijfelen we of we de met eeuwige sneeuw bedekte Cotopaxi, met 5897 meter de hoogste werkende vulkaan ter wereld, zullen bezoeken. De vorige dag heeft hij zich geheel in de wolken verschuild, maar de minieme gaten in de bewolking geven ons vandaag voldoende hoop op uitzichten om aan de beklimming te beginnen. En daar krijgen we geen spijt van! Hoe verder de dag en wij vorderen, hoe meer er van de vulkaan zichtbaar wordt. Het is hard werken, want de toegangsweg van het nationale park Cotopaxi is voor onze banden (smal uitgevallen 32 mm) problematisch: het is óf mul, óf wasbord, óf een keienzee, en altijd steil. Maar de uitzichten op de vulkaan en steeds meer ook op het omringende landschap doen ons de inspanningen vergeten. Totdat de lichamen beginnen te protesteren. De combinatie van de zware inspanning met de hoogte maakt dat we nu iedere 100 meter moeten uithijgen, en dat schiet niet erg op. Tot de boomgrens houden we vol. Daar, uitkijkend over de paramo – de boomloze hoogvlakte in de Andes – , zien we de Cotopaxi voor het eerst geheel wolkenvrij.

Zelden hebben we zo hoog, we zitten op zo’n 3600 meter, en met zo’n adembenemend uitzicht geluncht. Over de 16 kilometer vanaf de afslag van de Panamerican hebben we 3½ uur gedaan. De weg gaat nog een paar kilometer verder en vanaf het eindpunt kunnen fanatiekelingen nog de vulkaan beklimmen. Wij kunnen ons niet voorstellen dat het uitzicht nóg mooier kan worden, en bovendien moeten we dezelfde weg vandaag ook nog terug. Na twee uur afdalen draaien we grijs van het stof de Panamerican weer op. Terwijl we bij het licht van de ondergaande zon naar Latacunga rijden, weten we het asfalt naar behoren te waarderen. Voor ons uit zien we de volgende vulkanen al weer opdoemen. Die avond stillen we onze honger bij Pollo Gus, het eerste het beste restaurant dat we tegenkomen. Alle gasten kluiven er hun kip met plastic wegwerphandschoenen aan.

Van 2500 naar 250 meter

Twee dagen later doen we een halfslachtige poging over de hoogste geasfalteerde pas van Equador te rijden. Maar de klim tegen de Cotopaxi zit ons nog zwaar in de benen en de laaghangende bewolking ontneemt ons de hoop op nieuwe spectaculaire uitzichten. En daarmee ontbreekt ook de motivatie, zodat we omdraaien en besluiten af te dalen naar Baños, richting jungle. Langs de Rio Pastaza volgt een droomafdaling. We genieten buitengewoon van de uitzichten, terwijl we comfortabel naar beneden zeilen. In iets meer dan 20 kilometer verliezen we 850 meter hoogte. Baños is het Valkenburg van Ecuador. De hete baden trekken veel binnenlandse bezoekers. Het betekent ook een enorme keus aan goede en goedkope hotels. Voor de verandering gaan we nu eens lopen in plaats van fietsen. Tijdens de tocht naar het uitzichtpunt boven het dorp genieten we van het al veel tropischer decor van exotische bloemen, die we, niet gehinderd door enige kennis, allemaal maar orchideeën noemen. In Baños zien we tot Anja’s grote vreugde ook de eerste kolibrie. Hele geroosterde cavia’s, het nationale gerecht, liggen ons hier op iedere straathoek met lange tanden toe te grijnzen. Als semi-vegetariër laten wij dit gerecht toch maar liever aan ons bord voorbijgaan. Dat geldt niet voor de lokale lekkernij. Deze ‘toffees’ worden op straat geproduceerd door met het volle gewicht aan de taaie massa te gaan hangen nadat die hoog aan de deurpost over een spijker is geslagen.

Helaas blijken de toffees niet permanent taai te blijven: na een paar dagen vinden we slechts een onherkenbare en bijzonder plakkerige substantie in de fietstas.

Jungleroad nabij Missahualli

Vanuit Baños volgt de spectaculaire afdaling naar het Amazonebekken, de Oriente. Het dal is nog nauw, de weg smal en onverhard. De watervallen kletteren regelmatig op de weg en voor kleine zijrivieren heeft men niet de moeite genomen een brug te bouwen. Tijdens de afdaling wordt het iedere minuut tropischer: de vochtigheid nadert voor ons gevoel de honderd procent, de vlinders worden kleuriger en groter, er verschijnen steeds meer tropische vogeltjes en reuzenvarens. Na 30 kilometer rijden we af en toe over asfalt en uiteindelijk ontdekken we enige systematiek. Alle gemakkelijke stukken zijn al geasfalteerd, de moeilijke stukken zoals bruggen, steile hellingen en haarspeldbochten wachten nog op een laagje. Later wordt de vallei veel breder, wat prachtige vergezichten over het Amazonebekken oplevert. Echte orchideeën groeien nu zomaar ‘in het wild’ langs de weg. In Shell wordt ons paspoort, zoals dat van alle toeristen die naar de Oriente gaan, gecontroleerd en gestempeld. We slapen die nacht in Puyo, 1600 meter lager dan de rand van de hoogvlakte, maar nog altijd op 950 meter en dus ‘s nachts heerlijk koel.

Door de jungle naar “het einde van de weg”.

Vanuit Puyo rijden we langs de voet van het Andesgebergte naar het noorden. Op de heuvelachtige weg hebben we geen tijd om rond te kijken, alle aandacht is gericht op de stenen en gaten die samen de weg vormen. We gebruiken heel veel energie, maar halen onder deze omstandigheden toch niet meer dan 11 kilometer per uur. Als een rijke familie met 4WD pick up ons later een lift aanbiedt zeggen we dan ook geen nee. Zo eindigen we die dag in Puerto Misahuallí, het einde van de weg, een echt jungledorp. Het bestaat uit een plaza, slechts verrijkt met een roestige sokkel zonder standbeeld, omringd door verveloze houten gebouwen met golfplaten daken en nog drie doodlopende straten. Ons onderkomen die nacht is geheel in de stijl van het dorp en vormt dan ook een absoluut kwalitatief dieptepunt op deze reis. Pas als we de volgende dag vanaf de overkant van de rivier het dorp zien liggen ontdekken ook wij de romantiek van zo’n jungle-outpost. Toch zijn we blij het dorp, dat vooral dienst doet als beginpunt voor toeristische jungletochten, achter ons te laten. Dat groepssjokken door de jungle kan ons ook na enthousiaste verhalen van anderen maar matig bekoren. Daarom hebben we ons met een kano over laten zetten naar de zuidelijke oever van de Rio Napo. Vanaf het keienstrand loopt een voetpad een paar kilometer door de jungle naar de zandweg aan deze kant van de rivier, en deze wandeling met de fiets aan de hand, is ons meer waard dan welke ‘echte’ jungletocht ook. De Blue Morpho, een prachtige vlinder met handgrote felblauwe vleugels, fladdert minutenlang voor ons uit over het pad. De weg, eigenlijk niet meer dan een zandpad, bereiken we uiteindelijk over een brug bestaande uit vier woudreuzen bedekt met dwarsplanken. Deze weg is pas vijf jaar geleden aangelegd. De jungle wordt nu zij toegankelijk is in snel tempo in cultuur gebracht: hoe dichter je de grote weg van Puyo naar Tena nadert, hoe meer huizen en plantages je tegenkomt. Maar de lodge waarnaar we op weg zijn, ligt in nog tamelijk ongeschonden jungle. De eigenaar drukt ons op het hart ‘s avonds vooral op het pad te blijven in verband met de slangen in het gras. Er is geen elektriciteit en dus kijken we die avond vanuit onze hangmatten naar een fantastische sterrenhemel en luisteren naar het krekelconcert en de geheimzinnige geluiden in het duister. De slangen?

Steekt de weg de rivier over of..?

Als we de volgende dag terugkeren naar de bewoonde wereld wordt onze ‘jungle-ervaring’ compleet. Op het pad ligt een minstens anderhalve meter lange polsdikke slang te zonnebaden. Als wij op veilige afstand stoppen komt hij met ongelofelijke snelheid in beweging en is in een oogopslag in het oerwoud verdwenen. De weg naar Tena is recent ‘verbeterd’ en voorzien van een nieuwe lading los grind en stenen. Met slippend achterwiel komen we niet meer vooruit en voor de eerste en enige keer deze vakantie delven we het onderspit en lopen de heuvel op. We steken de Rio Tena over. Het water dat onder ons door stroomt zal nog een paar keer van naam veranderen voordat het Rio Amazonas heet. Pas duizenden kilometers verderop zal het in de Atlantische Oceaan stromen. De terugkeer naar de hoogvlakte vieren we met een nieuw hoogterecord.

Van 400 naar 4000

4200 meter boven zeeniveau!!

Bij Baeza beginnen we aan de klim terug naar de hoogvlakte. Na een paar nachtelijke tropische stortbuien – in de Oriente is het nu regentijd – plakt de modder aan de banden en hoopt zich op tussen banden en spatborden. De schroevedraaier houden we binnen handbereik om de brij regelmatig weg te steken. Voor de 37 kilometer naar Papallacta hebben we de hele dag nodig. We stijgen in modder en miezerregen dan ook van 1900 naar 3290 meter. Laat in de middag komen we bij in het hete water van de plaatselijke ‘aguas termales’. De volgende ochtend zitten we na een uur fietsen al op de paramo. Voor het eerst worden nu ook de meegebrachte druivesuikers aangesproken voor instant-energie. Die is hard nodig, want we moeten nu heel hard werken. Anja haalt vanwege zere benen en een op hol geslagen hart al lang geen 100 meter achter elkaar meer in het zadel: op deze hoogte is de lucht zo zuurstofarm dat we iedere 50 meter moeten uithijgen, maar we genieten er zeker niet minder om. Eindelijk, en zoals het hoort heel plotseling, verschijnt het Mariabeeld – de enige bewoonster van deze pas op 4200 meter hoogte- in beeld. We hebben het gehaald, een nieuw hoogterecord in onze lange fietscarrière is gevestigd! Over de slechts 13 kilometer van Papallacta naar de top hebben we vier uur gedaan. Slechts twee uur daarvan zaten we in het zadel, de rest hadden we nodig om steeds opnieuw op adem te komen. Bij de pas zien we dat een nieuwe geasfalteerde weg bijna klaar is. Het zal de beklimming wel gemakkelijker maken, maar ook een stuk minder avontuurlijk.

Bij Maria is het slechts 9°C en het stormt er zwaar, dus dalen we binnen de kortste keren dik ingepakt over de aan deze kant al geasfalteerde weg af. Er is tijd zat om te genieten van de spectaculaire uitzichten – over de paramo, op de vallei van Quito en tenslotte op Quito zelf – want in fases pellen we ons weer uit, totdat we beneden bij 26°C weer in alleen een T-shirt en korte broek rijden. Na deze afdaling liggen de wolkenkrabbers van Quito ontmoedigend hoog boven ons. We eindigen deze fietsvakantie zoals we hem begonnen zijn: voor de laatste keer slingeren we ons tussen de auto’s en koekblikbussen omhoog.

Als we een paar dagen later Ecuador verlaten meent het luchthavenpersoneel ons per fiets US $ 57 voor oversized luggage in rekening te moeten brengen. Omdat we onze fietsen al bij het kopen van het ticket hebben aangemeld en de fietsen heen ook gratis zijn vervoerd, weigeren we uiteraard te betalen. Nooit zullen we weten of het daaraan heeft gelegen dat onze fietsen pas zes weken na ons in Nederland arriveerden. Iets gekreukeld, maar wel gratis!

Zie voor een ander reisverslag de pagina van Ingrid Thijssen en Joost Bolck.

Vragen?

Reacties, opmerkingen over deze pagina’s zijn altijd welkom. Stuur ons een berichtje

Liked Liked